De wraak van de watergeest

De wraak van de watergeest                                       Donderdag 15 augustus 2013

Onze botanische collecties zijn uitgesplitst, de exportvergunning aangevraagd, de lezing op de Universiteit voorbereid en dus is er niets anders te doen dan…. de toerist uithangen!

Minke wil graag kayakken, dus proberen we een trip te boeken bij een reisburo. Er staan geen kayaktours op het programma, maar ter plekke wordt er eentje geregeld. ‘Yu du en kba?’ (Heb je deze trip al gemaakt?) roept de touroperator in de telefoon de haastig opgetrommelde gids. En dan is het geregeld en zijn wij blij. Later bedenken we dat we het antwoord op die vraag beter hadden moeten afwachten.

De volgende dag worden we met een busje afgezet bij de Coropina kreek, een colakleurig riviertje dat door een open savannelandschap kronkelt. Onze gids heet Yves, een knappe rasta met een ontwapenende glimlach. Ik kende hem al: op Bakkie vertelde hij dat hij door een piranha in zijn teen was gehapt, waarna hij de bloederige foto’s op zijn blackberry toonde. Direct na het verbinden van zijn voet had hij op de plek des onheils een stuk kippenvel aan zijn vishaak geprikt en dezelfde piranha gevangen, gebakken en opgegeten. Wraak! Nu zou Yves met ons (Jorik, Minke en ik) de Coropinakreek afzakken. Bij het punt waar de plastic kayaks te water gingen, viel het me op dat er lappen om de boomstronken waren bevestigd. Ook lag er een mandje naast het water, stukken kalebas met door de regen uitgespoelde pemba (heilige witte klei) en een bergje met kleine grasachtige plantjes, wat later gekiemde maiskorrels bleken te zijn. Een oud winti-offer dus, waarschijnlijk voor een watergeest. De maiskolf, die vaak in die voedseloffers zit, was gekiemd. Ik vond een kwartje en stak het in mijn zak. Yves zei dat ik niet met mijn vingers aan de resten van die pai moest zitten. Te laat.

Afbeelding

Hier was het nog leuk kayakken…. Foto: T. van Andel

We peddelden stroomafwaarts door de schitterende kreek, zwommen in de monding van de Coropina in de Pará rivier, keken naar honderden kwetterende ijsvogels en bloeiende Swartzia’s en aten loempia’s en rotirollen. Behalve één enkele visser kwamen we niemand tegen. Toen gingen we de Coropinakreek weer in, maar nu tegen de stroom in. Dat leek ons aardrijskundigerwijs niet mogelijk, maar Yves had geen kaart. Het moeras werd steeds onherbergzamer, de oevers bogen naar elkaar toe, de rivier groeide dicht met een gemeen snijdend gras dat over zich het wateroppervlakte uitspreidde, maar waarop je niet kon lopen. Toch bleven we goedgemutst, zelfs toen het begon te stortregenen. We raakten verstrikt in hyet drijfgras, wrikten ons door de waterplanten met onze peddels, scheurden ons vel open aan de stekels van de mokomoko, en dit alles in de donder, bliksem en ijskoude regen. ‘Dat kan harder!’, riep Minke, altijd in voor een cynische grap, terwijl de regen onze kano’s vulde.

 Afbeelding

Niet makkelijk kayakken tussen die mokomoko’s. Foto: Minke Reijers.

‘Hier zou toch ergens het eindpunt moeten zijn’, schreeuwde Yves door de stortbui heen. Er lag een plank aan de oever, maar verder zagen we geen enkel teken van menselijke bewoning. We stapten uit en zagen flessen liggen op de oever. Vuilnis? Bij nader inzien bleken de flessen VOL te zijn: niet alleen de rode swit’ sopie en de orgeadeflesjes, zelfs de Heineken bierflesjes waren ongeopend. U raadt het al: dit was geen picknickafval maar een volgend winti-offer. Niemand in Suriname drinkt nog swit’ sopie, een archaisch soort limonadesiroop uit de tijd dat je hier nog geen Coca-Cola kon kopen. De voorouders, daarentegen, zijn er dol op. Mijn God, dat kwartje, dat had ik immers ook gestolen van die watergeest! Ik legde het maar snel bij de flessen neer, maar de toorn van die watra ingi was natuurlijk al gewekt. De batterij van mijn Digicel telefoon is op, zei Yves, en mijn blackberry is nat geworden. De auto met aanhanger voor de kano’s was naar de Brownsberg gereden voor de volgende toeristen. ‘We moeten stroomopwaarts blijven kanoën, al was het alleen maar om warm te blijven’, zei Yves. Dat deden we dus maar, alles behalve vernikkelen van de kou.

We peddelden en peddelden, wrikte en zwoegden, alles deed pijn en we waren door- en doornat. Jorik vond het allang helemaal niet leuk meer, maar die zat bij Yves in de kano dus hoorden we hem niet mopperen. Yves bleef glimlachen en riep af en toe: ‘Gaat het nog dames? Als we maar voor het donker ergens een hangmat vinden, is het OK, ja toch?’ Grote glimlach. ‘Zeg Yves, ik moet morgen een lezing geven aan de Universiteit, dus je zorgt ervoor dat we thuiskomen,’ riep ik. Maar ze zoeken ze erop uit die gidsen, met zo’n innemende smile dat je onmogelijk boos op ze kan worden, ook al hebben ze geen kaart, hebben ze hun zaken niet geregeld, is hun telefoon op en raken ze volledig de weg kwijt.

‘Maar als iemand drank aan een winti kan offeren, moet die persoon daar toch ook kunnen komen’, dacht ik, kilometers stroomopwaarts van het winti-offer. ‘Laten we terugkeren’, schreeuwde Yves door de regen, ‘Na die plank met die flessen hebben we geen andere tekenen van menselijke bewoning meer gezien’. En we keerden weer om, ondertussen in verregaande staat van meligheid verzonken. Tegen de tijd dat we bij het offer van de geest aankwamen, begon de zon weer te schijnen, wrongen we het water uit onze kleren, was de mobiele van Yves weer opgedroogd en werd de auto gesommeerd om ons te zoeken (‘kom draai baka man, we der in wan bigi bigi swampoe!!!). We plonsten tot ons middel door een open savanne, probeerden niet te denken aan de anaconda’s die daar normaal wonen, totdat we een mangoboom in de verte zagen. Mango’s groeien niet in het wild, dus dit betekende mensen! Het dorpje bleek verlaten, de tien huizen bijna geheel verteerd door termieten, op één goed onderhouden hutje met een hangslot na. Het onderkomen van de wintipriester? Het was net een spookdorp uit een slechte voodoo film. Onder een donderend geraas viel er opeens een sapotilleboom om. Gezellig hiero. Het busje kwam er zowaar aan, en na flink wat geslib en geglibber op een kilometerslange modderweg kwamen we uit op de glad geasfalteerde Afobakkaweg. We waren in Hannover, blijkt nu. Op die verlaten plantage woont niemand meer, maar pas op: de watergeest is nog springlevend. 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s