De voorouderpinda: wie kent hem nog?

De voorouderpinda: wie kent hem nog?                     donderdag 8 augustus 2013

In 1858 verzamelde de botanicus Splitgerber in Paramaribo een vreemd soort pinda (Vigna subterranea). Die had hij hoogstwaarschijnlijk in een slaventuintje aangetroffen, maar dat vermeldt het etiket van zijn collectie in het Leidse herbarium helaas niet. Het plantje van Splitgerber heeft langwerpige blaadjes, geen ronde zoals de gewone pinda (Arachis hypogaea) heeft. Het blijkt een Bambara groundnut te zijn, een aan pinda verwant aardnootje, gedomesticeerd door de Nigeriaanse Bambara-stam, en ongetwijfeld met de slavenschepen als voedsel meegekomen naar Suriname. Na Splitgerber heeft niemand de plant meer gevonden of gerapporteerd, totdat Charlotte van ’t Klooster in 2000 de blaadjes aantrof in de diepvries van een Saramaccaanse wintiwinkel in Amsterdam Oost. De blaadjes werden awoo pinda uwíi (voorouderspinda) of gobogobo (een Afrikaanse woord voor pinda) genoemd en in een mysterieus kruidenbad voor de voorouders gebruikt. De uitbater van de winkel kwam uit Guyaba, Boven Suriname, niet echt ver van Jawjaw. Dertien jaar later is de wintiwinkel opgedoekt, het huizenblok afgebroken en zoeken we al twee maanden in het binnenland van Suriname naar iemand die de voorouderpinda op zijn kostgrondje kweekt. Vergeefs, zo lijkt het.

Langs de Tapanahoni kende niemand de gobogobo, terwijl hij soms ook Ndyukapinda (Aucanerspinda) wordt genoemd. We lieten kleurenfoto’s zien (gemaakt in Ghana, waar die zaadjes overal op de markt liggen), maar mensen bleven vertwijfeld hun hoofd schudden. ‘We hebben wel andere pinda’s hoor!’, zeiden ze troostend, wijzend op de bergen gewone pinda’s die op golfplaten op hun erf lagen te drogen. ‘Die zijn ook lekker, kun je pindasoep van maken!’ Jaja, maar die willen we niet.

Ik beloofde Minke dat als ze een levende gobogobo zou vinden, ze een ijscoupe naar keuze mocht uitzoeken bij Tangelo, Suriname’s duurste taartjeswinkel, waar de airco zo hard staat dat je binnen de kortste keren zelf in een ijsklomp verandert.

Bij de Saramaccaners laten we de kleurenplaatjes van Vigna subterranea opnieuw zien. Weer die fronsende blikken. Totdat we bij Paulientje Mateda aankomen, een tenger vrouwtje van 55 jaar. ‘Wacht’, zegt ze, en scharrelt rond in haar donkere keukentje. Ze vist een jampotje tevoorschijn, haalt er een verfrommeld boterhamzakje uit, en schudt een paar bruine, eenzadige, houtige peultjes in haar gerimpelde handpalm. Waarachtig, het zijn gobogobo’s!!! ‘Ze zijn te hard om nog te eten’, zegt Paulientje, ‘en zaaien lukt ook niet meer. Als je ze oogst moet je ze meteen koken, of vlak daarna planten, anders komen ze niet meer op’. Het gratis ijsje is dus nog niet verdiend….

Afbeelding

De voorouderpinda, Vigna subterranea. Foto: Minke Reijers.

Minke blijft doorvragen. Ze vindt steeds meer mensen die hem kennen, maar niemand heeft ze in de tuin. Dan op een dag, tijdens mijn afwezigheid in de stad, krijg ik een SMS: ‘gobogobo gevonden!!’. Er was nog een vrouw in Jawjaw die een paar armzalige kiemplantjes van de voorouderpinda op haar kostgrondje had staan. Was die Bambara groundnut al bijna uitgestorven, met het verzamelen van twee van de vier kiemplanten hebben wij hem bijkans de genadeslag gegeven.

Afbeelding

De laatste kiemplantjes van de gobogobo. Foto: Minke Reijers.

Waarom planten ze die gobogobo niet meer? We vragen het telkens weer, en krijgen telkens verschillende antwoorden:

‘Ik had een hele emmer vol zaden, maar ze zijn beschimmeld’.

‘De mensen zijn lui tegenwoordig. Ze hebben geen zin meer om te planten’

‘Mijn vader had een veld vol, maar hij is overleden’

‘Als je het niet elk jaar zaait, komen ze niet meer op’.

‘Ik had ze, maar toen kreeg ik een baby in Paramaribo en toen waren ze op’.

‘Ik ken die gobogobo hoor, maar ik heb hem niet geplant, mijn moeder plantte hem’

‘Hij is erg lekker hoor, je trekt hem uit de grond, kookt hem gelijk met zout en eet hem op. Is gezond hoor! Nee, zelf heb ik hem niet.’

Als het zaaizaad niet lang goed blijft, hoe heeft die voorouderspinda het dan de afgelopen 300 jaar wel volgehouden? Stug elk jaar opnieuw zaaien? Hoe wordt je eigenlijk een vergeten groente? Hoe minder hij wordt geplant, hoe kleiner de genetische diversiteit van die voorouderpinda. Kan botanische inteelt ook leiden tot minder kiemkracht?

Als we met Sjors naar Manlobi varen, zegt hij dat we ‘100 procent zeker zuiverrr’ die gobogobo gaan vinden. Sjors vertelt aan iedereen wat we zoeken, maar de dorpsgenoten staren ons ongelovig en wantrouwend aan. Foto’s maken mag niet, en echt vriendelijk zijn de Manlobianen ook niet. Ook Sjors voelt zich niet op zijn gemak, het is het dorp van de familie van zijn vrouw. ‘Hier wonen mijn skoonoom, skoonbroer en skoonnicht’, legt hij uit. Maar die schoonfamilie geeft ook geen sjoege.

Minke is duizelig en blijft bij een huisje, Jorik en ik sjokken verder achter Sjors aan. Dan worden we verwezen naar een vrouw met een loszittend kunstgebit. Tussen het onkruid naast haar huis heeft ze een klein stukje aarde opengekrabt, er staan vier plantjes op: gobogobo. ‘Zie je wel’, zegt Sjors opgelucht. ‘Van al het zaaigoed dat ik had is alleen dit opgekomen, zegt de vrouw. Ik hoop dat ik er veel zaadjes van krijg. Die ga ik niet eten, maar verder planten, zodat ik weer een veldje vol heb. Ermee baden? Nee hoor, je moet die zaadjes koken en opeten’. Toch is onze missie geslaagd. ‘Pas goed op je gobogobo, zorg dat hij niet verdwijnt’, druk ik haar op het hart terwijl ik haar een briefje geld toestop. Ze neemt het verbaasd aan. ‘Kijk uit dat het onkruid die gobogobo’s niet overwoekerd’, waarschuw ik nog. ‘Nee hoor’, lacht ze, ‘dat spuit ik straks gewoon dood met Grammoxone hoor!’.

Als we Minke ophalen bij het huisje van schoonmoeder, heeft ze een bakje vol gobogobo peultjes en zwarte rijst (Oryza glaberrima) in de hand. Beide vergeten Afrikaanse gewassen in één bordje. ‘Ja die gaven ze me opeens’, zegt ze. Dus ze hadden het al die tijd al in huis, maar wilden eerst eens goed observeren wie wij waren en wat we kwamen doen. Zo gaat het dus, als je als vreemdeling in een Marrondorp komt. We beseffen hoeveel geluk we hebben met onze introductie via Berto Poeketie in Jawjaw en Thomas Polimé in Mooytaki. Of de laatste gobogobo plantjes de bespuiting met herbicide overleven weten we niet. Tijdens mijn eindpresentatie aan de Anton de Kom Universiteit laat ik een foto van de voorouderspinda zien. Niemand kent hem.

Kijkt u goed naar de plaatjes op deze pagina. Als u hem tegenkomt in Suriname, eet hem dan niet meteen op, maar plant de zaadjes in uw tuin. En praat een beetje Bambara tegen ze, of Saramaccaans. Zorg dat ze niet voorgoed vergeten worden. De voorouders zullen u dankbaar zijn.

Afbeelding

Twee forgotten African foods in een bakje: gobogobo en zwarte Afrikaanse rijst (Oryza glaberrima). Manlobi, Boven Surinamerivier.

Advertenties

Een gedachte over “De voorouderpinda: wie kent hem nog?

  1. Orlando Brouwn

    In dit verslag wordt de naam “Manlobi” vermeld. Dit moet volgens mij zijn “Malobi” (zonder “n”).
    Malobi ligt aan de boven Suriname rivier, ca. 10 km ten zuiden van Bottopassi.
    Manlobi is een dorp aan de linker oever van de Tapanahony, ca. 15 km vóór de monding naar de Marowijne rivier.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s