Op zoek naar de kaneelboom

Op zoek naar de kaneelboom                                               woensdag 10 juli 2013

Toen ik in 2006 de medicinale plantenmarkt van Paramaribo onderzocht, heb ik van alle kruiden die werden verkocht een exemplaar terug verzameld in het bos. Zo kon ik zien hoe de plant er in het wild uitzag en waar hij groeide. Bij één plant was dat niet gelukt: de kaneri buba, oftewel de bast van de kaneelboom. Een zakje met een paar stukjes verbrokkelde, gedroogde bast werd toen voor 20 SRD verkocht (toen ca. 5 euro), terwijl de andere basten vers waren en veel minder kostten. ‘Dus die kaneelbast moet van ver komen, want hij is droog en duur’, dacht ik toen. De Aziatische kaneel (die van de kaneelstokjes) groeit niet in Suriname, dus moest het een wilde Lauraceae zijn. Nooit heb ik die boom gevonden.

De eerste keer dat ik met Thomas Polimé sprak vertelde ik hem over de kaneri buba, en hij zei meteen: die groeit bij mijn dorp in de Tapanahoni. Eerst geloofde ik hem niet, maar een paar maanden later stuurde hij mij een envelop met een stuk bast op, door zijn zus in Tyontyon geoogst. Ik legde hem toen uit dat een botanicus niets heeft aan een stuk bast en graag bladeren wil zien. Eigenlijk geloofde ik er nog steeds niet in. Een half jaar later kreeg ik een groter stuk bast met bladeren opgestuurd, en toen kon ik hem determineren. Het bleek de zeldzame Aniba canellilla te zijn, die vooral in Frans Guiana en Brazilië voorkomt. We hebben geen Surinaamse collectie van deze soort in het Leidse herbarium.

Nu zitten we al bijna drie weken in Mooytaki, en hebben ons onderzoek hier al bijna af, maar die kaneelboom hadden we tot vandaag nog niet gevonden. Dus moesten we hangmatten, klamboes, plantenpersen en eten waterdicht inpakken en met de boot naar Tyontyon eiland, want daar zou hij moeten groeien. Theo Polimé brengt ons tot Futupasi, want de Gran Olo vallen zijn per boot niet over te steken. Daar slepen we onze spullen naar de andere kant van het eiland, waar de volgende boot al klaar staat. Cecilia heeft het allemaal geregeld, ik hoef alleen af en toe iemand geld in zijn hand te drukken voor de benzine.
En weg varen we, eerst langs het grote dorp Poeketie, het kleine dorpje Sidon Loekoe (zit en kijk voor je uit) en dan zien we lange tijd geen enkel teken van leven meer. Alleen maar oerwoud, eilandjes, rivierarmen, en liba awarra, een palmboom die in het water staat maar wiens vruchten je niet kunt eten, zoals de gewone awarra (Astrocaryum vulgare). Je mond schijnt er helemaal kras-krasi van te worden.

Afbeelding

Onder water staande stroomversnelling tussen Sidon Loekoe en Tyontyon. De palmboom is een liba awarra (Astrocaryum ?). Foto: T. van Andel.

Na een uur zien we opeens een telefoonmast: daar is Tyontyon. Maar behalve een paar vrouwen en kinderen en een omaatje met een enorme bril is er niemand thuis. Tyontyon is een spookdorp: de deuren van de huizen zitten opslot of de huizen zijn ingestort. Iedereen is vertrokken naar de Lawarivier, zegt Cecilia, want daar is goud te vinden. De mannen hebben hun vrouwen en kinderen meegenomen. Pas als er iemand dood gaat komen ze terug, om de overledene op zijn geboortegrond te begraven.

 Afbeelding

De verlaten apotheek van Tyontyon eiland. Foto: T. van Andel

Zo’n spookdorp is erg somber, maar heeft ook zijn voordelen: je kunt ongestoord op de verlaten erven neuzen om te kijken wat de mensen ooit hebben verbouwd. We vinden een stekelyam en twee soorten sesam: één echte, waarvan ze de witte zaadjes fijnstampen tot ansowé, een soort pindakaas en één winti-sesam, die weliswaar gezaaid word (hij heeft zwarte zaadjes), maar alleen in magische kruidenbanden wordt verwerkt. Dat is wat we zoeken: vergeten Afrikaanse cultivars die hun landbouwfunctie hebben verloren en alleen nog dienen om de voorouders te eren. We rapen een stok op om de graatmagere, achtergebleven honden van ons lijf te houden en trappen in een rode mierennest. De voorouders vechten terug.

Afbeelding

Het dorp Karmel. Hier woont niemand meer. Foto: Minke Reijers.

Op de andere kant van het eiland ligt Karmel. Hier wonen nog wel een paar mensen, maar het aanblik van dit dorp is zo mogelijk nog desolater. Er staan een aantal huizen van twee verdiepingen die totaal door de termieten zijn aangetast en elk moment in kunnen storten. Honderden sinaasappels en pomeraks liggen onder de boom te rotten, er is niemand om ze op te eten. Nou ja, op gigantische zwermen wespen na dan, die hun nesten in het voormalige internaatgebouw hebben gebouwd, waar Thomas en Cecilia nog op school gezeten hebben in betere tijden.

 

Afbeelding

De ‘broko-broko’ school van Karmel. Foto: M. Reijers.

De lagere school zelf is ook totaal vervallen. Als we ontzet door de ramen naar de chaos kijken komt er een magere man aangelopen. De leraar, die gezien zijn gebit zelf ook betere tijden heeft gekend. Hij verontschuldigd zich meteen over het broko-broko gebouw, en vraagt of hij direct afspraken met ons kan maken over de verbetering van het onderwijs in Karmel. Er komen toch nog 40 leerlingen naar die school, zelfs van Poeketie worden ze met boten aangevoerd, omdat ze daar het Christendom niet aanvaarden en dus geen school hebben, aldus de meester. Bijna alle scholen in het binnenland zijn namelijk van de EBG (Evangelische Broeder Gemeente). Zonder God geen scholing hier, en als je in winti’s wil blijven geloven mag je dus kennelijk niet leren lezen en schrijven. Op onze vraag of de kerk die school dan niet zou moeten opknappen was het antwoord ‘Ja, maar EBG no du neks’. We haasten ons snel weg van deze treurnis.

Afbeelding 

Ons onderkomen op Tyontyon: ontbering! Foto: T. van Andel

We slapen in een hangmat in een oud krothuisje (Tessa en Minke doen geen oog dicht, ik slaap als een roos) en gaan de volgende dag vroeg het bos in op zoek naar de kaneelboom. Onze gids heet Jimmy, de enige jongeman uit Tyontyon, en is gewapend met een kapmes, geweer en een shirt van een politieke partij waarop staat “krin pasi” (maak de weg vrij). Dat doet hij, want de paden zijn dichtgegroeid en bomen zijn omgevallen. We zompen door een riviertje, dat na twee uur lopen in een waterval veranderd. We zien verse sporen van twee jaguars (‘kijk die voet van een tijgerrrr, dat is een hele krote poes’) en een aantal tapirs. Jimmy probeert een toekan uit de boom te schieten maar hij mist.

Afbeelding

De Sada kriki wordt opeens een waterval. Foto: T. van Andel

Daarna nog een uur lopen en dan beklimmen we een steile berg totdat we op de top eindelijk de kaneelboom zien: de stam zwaar gehavend door het vele oogsten.

Afbeelding

Jimmy kapt bast van een zwaar gehavende Aniba canellila: de kaneri buba. Foto: M. Reijers.

In Frans Guiana krijgt Jimmy 50 euro voor een rijstzak vol kaneri buba. Moe, vies en geheel natgezweet begrijpen we eindelijk waarom die bast zo duur is: er zit nogal wat arbeidsloon in om hem te vinden. De bast ruikt in verse toestand naar terpentijn, gedroogd naar kaneel. ‘Prima om je baby mee te wassen, dan gaat hij lekker ruiken’, zegt Cecilia, die een flinke berg bastschilfers in een doek knoopt voor haar kleinkinderen. Zelfs in Mooytaki kun je parfum kopen om op je baby te spuiten, maar de bast van een oerwoudboom, daar kan geen babypoeder aan tippen. Je bent een busisma of je bent er geen. 

Afbeelding

Cecilia met bladeren en bast van de kaneri buba. Foto: T. van Andel.

Advertenties

2 gedachten over “Op zoek naar de kaneelboom

  1. Johnc140

    Enjoyed examining this, very good stuff, thankyou . While thou livest keep a good tongue in thy head. by William Shakespeare. gbabkdeedaak

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s