Carifesta is het einde

Carifesta is het einde                                                              Zondag 18 augustus 2013

Suriname is in de greep van Carifesta: een Caribisch festival met muziek, dans, mode, crafts en lekker eten. De programmering blijft onduidelijk, maar we pikken mee waar we tegen aan lopen: een modeshow met heerlijk dikke modellen, ADHD trommelmuziek van de Super Djuka’s, koelkastmagneetjes van sopropo en oker, vage rasta’s die straatkunstjes doen met oude fietswielen, en een swingende stand vol zelfgemaakte percussieinstrumenten. We eten auberginepuree uit Haiti, Guyanese pepperpot met glibberig koeienvet in zwarte cassareep met loeihete peper en nog éénmaal Aucaanse afringiesoep. We laten een tribal tattoo zetten van Genipa americana door Carib sprekende Indianen en fietsen > 10 km in de brandende zon naar Nieuw Amsterdam omdat ik zo dom was de boot naar Meerzorg te pakken in plaats van die op Leonsberg.

Afbeelding

Nog eenmaal afringii soep eten en Aucaans luisteren in het Marrondorp van de Carifesta. Foto: T. van Andel.

Tussen de kanonnen van Nieuw Amsterdam werd een Jaran Kepang gehouden, een Javaanse paardendans. Ik had er vaak over gehoord: de dansers raken in trance en eten behalve gras ook honden uit het publiek op, maar ik geloofde daar niet zo in. De loempiaverkoopster in Tamanredjo waarschuwde ons: zij durfde er niet heen, want er kwamen winti’s over die jongens en dat vond ze maar eng. Nu wilden we er extra graag heen. Gelukkig gingen onze fietsen niet kapot (na onze welgemeende excuses aan de riviergeesten van de zwampen die we overfietsen) dus konden we de Jaran Kepang meemaken.

De dans begint als een gestileerd Indonesisch ballet, met maskers en gamelanmuziek, de toeschouwers in plastic stoelen eromheen. Maar na een half uurtje slaapverwekkende plingplangplong gaan de maskers af en krijgen de dansers een blauw goedje om op te snuiven. Hun ogen beginnen te rollen, ze springen, duikelen en stuiven door het zand, vallen elkaar aan en kruipen met verkrampte ledematen op een tafeltje af met keurig gewassen en gesneden stukjes gras. Het blijft niet bij een sprietje, ze proppen hele bossen gras in hun mond en kauwen die grommend naar binnen. Ze dansen als apen en tijgers en happen dan in brandende kranten met de klappende kaken van een houten tijgermasker. Dan veranderen ze in slangen: slingerend in het zand met lispelende tongen. Ze krijgen een rauw ei en werken het zonder handen naar binnen, het struif druipend van hun kin. Spectaculair!

Afbeelding

De dansers zitten hier nog op hun paard. Foto: T. van Andel.

Een trutting schoothondje op een stoel voor ons begint te keffen, één van de dansers staart hem aan met uitpuilende ogen en begint te grommen. ‘Haal die hond daar weg!’, schreeuwt het publiek. De vrouw met het Pekineesje maakt zich haastig uit de voeten. Jammer, ik had hem wel in de bek van de ‘tijger’ willen zien. Na anderhalf uur zijn de dansers uitgeput, geheel met zand overdekt, badend in het zweet, maar ze zijn nog steeds niet klaar. Maar wij moeten terug de rivier over voordat het donker wordt. De volgende ochtend komt Berto om half zes de overgebeven spullen en de geleende gasbom halen. We brengen de fietsen terug en nemen afscheid van onze buren. Ik wissel mijn overmaat aand SRDs illegaal bij de groenteman voor groene briefjes van 100 euro.

Afbeelding

De dansers zijn bezeten door een paardengeest, dus krijgen ze gras en bladeren te eten. Die kauwen ze ook echt naar binnen. Foto: Tinde van Andel

Nu is het echt voorbij. Hier eindigt ook dit blog. De wetenschappelijke resultaten van ons veldwerk, inclusief de studentenscripties, worden te zijner tijd gepubliceerd op http://osodresie.wikispaces.com/publications.

Adyosi, tan bun & waka mooi….

Wellness of ontbering?

Wellness of ontbering?                                                           Zaterdag 17 augustus 2013

Aan de monding van de Parárivier in de Surinamerivier ligt een uitgestrekt moeras. Een investeerder wil daar een luxe hotel bouwen, met een wellness centrum gebaseerd op traditionele kruidenbaden. Hij heeft mijn advies gevraagd over de inhoud van die kruidenbaden, maar voordat we hierover een deal sluiten wil de plaatselijke manager Nevil mij de locatie wel even laten zien. Hij haalt ons op in zijn luxe auto, de pasteitjes en koude sapjes staan op de achterbank. Dan verwisselt hij zijn hagelwitte overhemd voor een t-shirt, trekt een paar laarzen aan en koopt een machete in een Chinesehardware shop. ‘De lokatie is nog niet opgehoogd’, zegt hij, dus of we voorbereid zijn op een lekker stukje door de bushbush? Minke en ik lachen en zeggen dat we wel gewend zijn om een beetje door het bos te lopen. Maar weer hebben we de Pará onderschat.

De watergeest is kennelijk nog steeds boos dat ik zijn kwartje heb gejat en zijn offer ondersteboven heb gekeerd om de inmiddels wortel geschoten inhoud te determineren. We banen ons een weg door een ondoordringbare moeras, vol dode stammen die ons gewicht net niet houden en dus doormidden breken, waardoor we een have meter lager in het stinkend slijk van de hier met srpingvloed overstromende Surinamerivier zakken. Duizenden krabbetjes zoeken een veilig heenkomen. Een dikke leguaan glipt snel tussen de struiken. Stekelplanten overal. Hibiscus tiliaceus is een leuk boompje met gele bloemen als het langs het strand van de Copacabana staat aangeplant, maar hier in het wild is het een woest woekerend rotding. Met name Nevil is de klos: hij hakt en hakt zich een ongeluk todat we bij een pinapalmbosje komen. De oevers van de Pará, het water van de rivier zelf en de dijk er langs, ooit door slavenarbeid gemaakt, toen deze woestenij nog een plantage was, ALLES is overwoekerd door dat ellendige gras. Het groeit bijna drie meter hoog op land, en zwemt door het water van de diepe rivier zonder zich in de bodem te wortelen, de uitlopers drijven gewoon op de oppervlakte naar de overkant. Wat een ramp!

Afbeelding

Gezellige lokatie voor een onbezorgde vakantie….? Foto: T. van Andel

‘Hier komt het zwembad, daar de vakantievilla’s en ginds de lobby van het hotel’, probeert Nevil nog, druipend van het zweet. We kunnen het ons niet voorstellen. Dit is geen wellness, dit is ontbering! Behalve één apendrol en een paar grietjebies zitten er niet eens beesten in dit bosje. ‘Als het terrein straks is geëgaliseerd herken je het niet meer terug’, zegt Nevil. Nog nooit heb ik zo verlangd naar een Chinees met een bulldozer. 

Nevil besluit een ‘makkelijkere’ weg terug naar de auto te nemen, die nog moeilijker blijkt te zijn. Het moeras is dieper, de dijk moeilijk te onderscheiden omdat hij vol staat met stekelboompjes. We maken flauwe grappen over wellnessprogramma’s voor gestresste managers, die hier met een machete in de zwamp gestuurd kunnen worden om nader tot zichzelf te komen. Ik vertel Minke van Lt. John Gabriel Stedman, die met zijn soldaten tot zijn nek in de grote zwiebelzwamp  zakte en toen besloot dat het jagen op gevluchte slaven in dit land geen goed idee was. Zijn dagboek over het zinloze geploeter in Suriname’s brakwatermoerassen werd destijds gebruikt door de politici om de slavernij te verbieden.

Afbeelding

Komen we hier ooit nog uit? Foto: T. van Andel.

Eindelijk zijn we terug bij de weg, geheel bedekt met naar zwavel stinkende grijze blubber. We wassen onze voeten met mineraalwater voordat we in Nevils luxe wagen stappen. Dan storten we ons op de pasteitjes. Wat voor trip je ook doet in Suriname: het eten is ALTIJD lekker. Als we terug rijden en de protserige villa’s langs de rivier opduiken, bedenk ik me dat die ook allemaal op zo’n voormalig mokomokozwamp staan. Sterker nog: de gehele kust van Paramaribo was ooit niets anders dan de vijandige slibvlakte waar we net doorheen ploeterden. Vandaar dat de Spanjaarden dit land niet wilden en het aan de Nederlanders lieten. Die wisten wel om te gaan met zulke plomp: ze woonden zelf immers ook in een moeras. Dus ja, het is eigenlijk wel goed voor te stellen dat daar volgend jaar een luxe wellness center staat. Goed dat de toeristen niet zien hoe het vroeger was….

De wraak van de watergeest

De wraak van de watergeest                                       Donderdag 15 augustus 2013

Onze botanische collecties zijn uitgesplitst, de exportvergunning aangevraagd, de lezing op de Universiteit voorbereid en dus is er niets anders te doen dan…. de toerist uithangen!

Minke wil graag kayakken, dus proberen we een trip te boeken bij een reisburo. Er staan geen kayaktours op het programma, maar ter plekke wordt er eentje geregeld. ‘Yu du en kba?’ (Heb je deze trip al gemaakt?) roept de touroperator in de telefoon de haastig opgetrommelde gids. En dan is het geregeld en zijn wij blij. Later bedenken we dat we het antwoord op die vraag beter hadden moeten afwachten.

De volgende dag worden we met een busje afgezet bij de Coropina kreek, een colakleurig riviertje dat door een open savannelandschap kronkelt. Onze gids heet Yves, een knappe rasta met een ontwapenende glimlach. Ik kende hem al: op Bakkie vertelde hij dat hij door een piranha in zijn teen was gehapt, waarna hij de bloederige foto’s op zijn blackberry toonde. Direct na het verbinden van zijn voet had hij op de plek des onheils een stuk kippenvel aan zijn vishaak geprikt en dezelfde piranha gevangen, gebakken en opgegeten. Wraak! Nu zou Yves met ons (Jorik, Minke en ik) de Coropinakreek afzakken. Bij het punt waar de plastic kayaks te water gingen, viel het me op dat er lappen om de boomstronken waren bevestigd. Ook lag er een mandje naast het water, stukken kalebas met door de regen uitgespoelde pemba (heilige witte klei) en een bergje met kleine grasachtige plantjes, wat later gekiemde maiskorrels bleken te zijn. Een oud winti-offer dus, waarschijnlijk voor een watergeest. De maiskolf, die vaak in die voedseloffers zit, was gekiemd. Ik vond een kwartje en stak het in mijn zak. Yves zei dat ik niet met mijn vingers aan de resten van die pai moest zitten. Te laat.

Afbeelding

Hier was het nog leuk kayakken…. Foto: T. van Andel

We peddelden stroomafwaarts door de schitterende kreek, zwommen in de monding van de Coropina in de Pará rivier, keken naar honderden kwetterende ijsvogels en bloeiende Swartzia’s en aten loempia’s en rotirollen. Behalve één enkele visser kwamen we niemand tegen. Toen gingen we de Coropinakreek weer in, maar nu tegen de stroom in. Dat leek ons aardrijskundigerwijs niet mogelijk, maar Yves had geen kaart. Het moeras werd steeds onherbergzamer, de oevers bogen naar elkaar toe, de rivier groeide dicht met een gemeen snijdend gras dat over zich het wateroppervlakte uitspreidde, maar waarop je niet kon lopen. Toch bleven we goedgemutst, zelfs toen het begon te stortregenen. We raakten verstrikt in hyet drijfgras, wrikten ons door de waterplanten met onze peddels, scheurden ons vel open aan de stekels van de mokomoko, en dit alles in de donder, bliksem en ijskoude regen. ‘Dat kan harder!’, riep Minke, altijd in voor een cynische grap, terwijl de regen onze kano’s vulde.

 Afbeelding

Niet makkelijk kayakken tussen die mokomoko’s. Foto: Minke Reijers.

‘Hier zou toch ergens het eindpunt moeten zijn’, schreeuwde Yves door de stortbui heen. Er lag een plank aan de oever, maar verder zagen we geen enkel teken van menselijke bewoning. We stapten uit en zagen flessen liggen op de oever. Vuilnis? Bij nader inzien bleken de flessen VOL te zijn: niet alleen de rode swit’ sopie en de orgeadeflesjes, zelfs de Heineken bierflesjes waren ongeopend. U raadt het al: dit was geen picknickafval maar een volgend winti-offer. Niemand in Suriname drinkt nog swit’ sopie, een archaisch soort limonadesiroop uit de tijd dat je hier nog geen Coca-Cola kon kopen. De voorouders, daarentegen, zijn er dol op. Mijn God, dat kwartje, dat had ik immers ook gestolen van die watergeest! Ik legde het maar snel bij de flessen neer, maar de toorn van die watra ingi was natuurlijk al gewekt. De batterij van mijn Digicel telefoon is op, zei Yves, en mijn blackberry is nat geworden. De auto met aanhanger voor de kano’s was naar de Brownsberg gereden voor de volgende toeristen. ‘We moeten stroomopwaarts blijven kanoën, al was het alleen maar om warm te blijven’, zei Yves. Dat deden we dus maar, alles behalve vernikkelen van de kou.

We peddelden en peddelden, wrikte en zwoegden, alles deed pijn en we waren door- en doornat. Jorik vond het allang helemaal niet leuk meer, maar die zat bij Yves in de kano dus hoorden we hem niet mopperen. Yves bleef glimlachen en riep af en toe: ‘Gaat het nog dames? Als we maar voor het donker ergens een hangmat vinden, is het OK, ja toch?’ Grote glimlach. ‘Zeg Yves, ik moet morgen een lezing geven aan de Universiteit, dus je zorgt ervoor dat we thuiskomen,’ riep ik. Maar ze zoeken ze erop uit die gidsen, met zo’n innemende smile dat je onmogelijk boos op ze kan worden, ook al hebben ze geen kaart, hebben ze hun zaken niet geregeld, is hun telefoon op en raken ze volledig de weg kwijt.

‘Maar als iemand drank aan een winti kan offeren, moet die persoon daar toch ook kunnen komen’, dacht ik, kilometers stroomopwaarts van het winti-offer. ‘Laten we terugkeren’, schreeuwde Yves door de regen, ‘Na die plank met die flessen hebben we geen andere tekenen van menselijke bewoning meer gezien’. En we keerden weer om, ondertussen in verregaande staat van meligheid verzonken. Tegen de tijd dat we bij het offer van de geest aankwamen, begon de zon weer te schijnen, wrongen we het water uit onze kleren, was de mobiele van Yves weer opgedroogd en werd de auto gesommeerd om ons te zoeken (‘kom draai baka man, we der in wan bigi bigi swampoe!!!). We plonsten tot ons middel door een open savanne, probeerden niet te denken aan de anaconda’s die daar normaal wonen, totdat we een mangoboom in de verte zagen. Mango’s groeien niet in het wild, dus dit betekende mensen! Het dorpje bleek verlaten, de tien huizen bijna geheel verteerd door termieten, op één goed onderhouden hutje met een hangslot na. Het onderkomen van de wintipriester? Het was net een spookdorp uit een slechte voodoo film. Onder een donderend geraas viel er opeens een sapotilleboom om. Gezellig hiero. Het busje kwam er zowaar aan, en na flink wat geslib en geglibber op een kilometerslange modderweg kwamen we uit op de glad geasfalteerde Afobakkaweg. We waren in Hannover, blijkt nu. Op die verlaten plantage woont niemand meer, maar pas op: de watergeest is nog springlevend. 

Skraati (Chocola)

Skraati (bosnegerchocolademelk)          donderdag 8 augustus 2013

Plant een cacaoboom op je erf. Als er vruchten aankomen (formaat rugbybal), sla je ze met één klap van je machete door midden. Je eet de witte blubber in de vrucht op en laat de zaden drogen. Rooster de zaden (dit zijn de cacaobonen) op een stuk zinkplaat boven een vuur, stamp ze in een houten vijzel en kook of week ze in warm water. Klop het schuimig met een ‘leleti’ of een ‘gaan kiikii sè’ (kloppertje van een twijgje met vier zijtakjes in een krans, kan Mabea piriri zijn of een ander bosboompje). Dan heb je echte businenge skraati (bosnegerchocolademelk), met alle cacaoboter er nog in. Het vet komt boven drijven, daar kan geen Nesquick tegenop.

Je kunt de gestampte cacaobonen ook in een kleine worst persen en verkopen op de markt als skraati (chocola).

Afbeelding

 Een chocolademelkkloppertje, gemaakt van een typisch vertakt boompje. De Aucaners noemen dit een kiikii, de Saramaccaners een leleti. Foto: Minke Reijers.

We hebben nu alles, dus tijd om te gaan….

We hebben nu alles, dus tijd om te gaan….                            Vrijdag 9 Augustus 2013

Heel Jawjaw is nu grondig uitgekamd en alle varianten Afrikaanse voedselgewassen zijn gevonden die er te vinden waren, inclusief de bijbehorende namen en verhalen. Dus gaan we op zoek naar moeilijk vindbare planten in de dorpen Gunsi, Nieuw Aurora, Laduani, Pikin Slee en Manlobi. Daarvoor moeten we varen, benzine kopen, smeerolie regelen en iemand meenemen die de weg weet in die dorpen. We gaan eerst met Ciglesta en de volgende dag met George “Sjorie” Edelsteen, de plaatselijke apparatenknutselaar, die rond zijn huis een kerkhof onderhoudt van buitenboordmotoren in diverse staat van ontbinding. Hij schept er genoegen in om ons goed Saramaccaans te leren, en weigert de eerste drie keer dat hij iets uitlegt Sranantongo te spreken, zodat we zijn Saamaka tongo wel moeten leren begrijpen. Een dag met taalpurist Sjors is een spoedcursus Saramaccaans. Bovendien zit hij me uit te testen door zoveel mogelijk planten aan te wijzen, als ik de plant wel ken maar een Aucaanse of Sranan naam zeg, krijg ik geen punten. Leuk maar vermoeiend. De namen van de bomen weet ik nog best goed, vind ik zelf, maar vervolgens vraagt hij me dingen als ‘kippenhok’, ‘hark’ en ‘ijzeren kookpot met drie poten’ te vertalen, waarbij ik natuurlijk grandioos de mist in ga. Als ik aan het eind van de dag zeg “Sjors, ik ken die plantennamen toch best wel, geef nou toe’, zegt hij: ‘OK, je zit op 10%’.

Afbeelding

Sjors en zijn gezin. Foto: Minke Reijers.

De melegueta peper (Aframomum melegueta) vinden we in Gunsi, de scherpe zaadjes ervan zijn in Afrika overal te koop als specerij en als medicijn. In Suriname hebben ze alleen een rituele betekenis: gekauwde zaadjes spuugt men uit op de fontanel van een pasgeboren baby om te voorkomen dat er kwade geesten via die zachte plek het lichaam van het kind binnendringen. In Paramaribo kun je de droge vruchten met zaadjes voor zo’n 10 SRD (twee euro) kopen, en hoewel veel mensen in het binnenland zo’n vruchtje in huis hebben, kopen ze het allemaal in de stad. In de Tapanahoni vonden we hem niet. In Jawjaw ook niet. Alleen de tante van Ciglesta heeft de plant: een grote gemberachtige struik, waarvan de vruchtjes aan de basis groeien. ‘Tapsei sma ben abi disi sani dringend fanowdu’ (de mensen aan de bovenloop van de rivier hebben deze plant echt nodig), mompelt Ciglesta, als ze de plant na lange tijd weer terug ziet. ‘Neem toch zaad of een wortelstok mee, dan kan je de plant zelf opkweken thuis, kun je lekker 10 SRD per vruchtje verdienen’, suggereer ik. Maar zo werkt het niet. De zaden zijn niet (meer?) kiemkrachtig, en een wortelstok achteroverdrukken wordt niet op prijs gesteld. Volgens Sjors hebben mensen de nengrekondre pepre (Afrikaanse peper) wel geprobeerd te planten in Jawjaw, maar menstruerende vrouwen hebben eroverheen geplast en daarom is hij dood gegaan.

Afbeelding

Nengrekondre pepre (Aframomum melegueta) vrucht met zaadjes. Foto: M. Reijers.

Afbeelding

Aframomum melegueta planten in Gunsi. Foto: T. van Andel.

De Afrikaanse rijst hebben we ook in volle glorie gevonden. Behalve gewoon opeten kun je een kruidenbad nemen met de ongepelde korrels tegen een prikkerige huid, en strooi je dezelfde korrels op je kostgrondje, net na het kappen maar voor het branden. Dan krijg je later een goede oogst. Was de rijst in de Tapanahoni al in April geoogst, hier aan de Boven Suriname is hij net rijp, de kunstig samengebonden halmen liggen overal in het dorp te drogen.

Afbeelding

De rijst ligt te drogen in Jawjaw. De cultivars hebben verschillende kleuren. Foto: T. van Andel

In Pikien Slee vinden we Hibiscus sabdariffa, een struik met vlezige rode bloemkelken die je kunt uitkoken totdat je een rode limonade krijgt. Hij heet hier toepasselijk “stroop uwíi” (siroopkruid).

Afbeelding

Limonadestroopplant Hibiscus sabdariffa. Foto: M. Reijers.

Er is in dit dorp ook een Marronmuseum, met spectaculaire houtsnijwerken vervaardigd door plaatselijke rasta-kunstenaars. Een gepensioneerde Nederlandse dame wil een rondleiding geven: ‘Zal ik jullie iets vertellen over de Saramaccaners, weten jullie dat ze van weggelopen slaven afstammen?’

Sjors, die nog nooit in dit museum is geweest, schuift de bakramevrouw terzijde en rukt de antieke pindawrijfbankjes uit de vitrine. ‘Hee leuk, die had mijn moeder ook, die kan ik ook maken! Tinde hoe heet zo’n ding? Pinda paanga, wist je niet he?’ De gids taait snel af, terwijl Sjors college geeft over tien soorten pijlpunten en de namen van elk type vogelval opnoemt, inclusief de vogels die je ermee kunt vangen. En dat alles in het Saramacaans. Leuk, zo’n adhoc museumgids.

Afbeelding

We passeren een boot vol traditioneel uitgedoste grafdelvers, op weg naar een begraafplaats. Foto maken mocht niet…. Foto: M. Reijers.

Na nog even in een kolkende stroomversnelling uit een varende boot wat bloeiende boomtakken afgerukt te hebben, is het mooi geweest. De volgende dag verdelen we alle overgebleven etenswaren, versleten slippers, afgeragde kleren en expeditiemateriaal. Sjors is enorm blij met het kettingslot waarmee ik de gasbom vastzette, Melitta krijgt het Chinese kooktoestel. Als kado voor alle etenswaren krijgen we pangi’s, kalebassen, kassavebrood en vele brasa’s (omhelzingen) terug. Van Sjors krijgen Minke en ik een hele mooie houten kam met een papagaai erop, zelf gehoutsnijwerkt.

Afbeelding

Cool kapsel, Atjoni. Foto: C. van der Hoeven.

Sjors vaart ons om 9:00 ’s ochtends naar Atjoni, en koopt blij een koude literfles bier van zijn verdiende geld. Doksie staat ons al op te wachten, de schat. Op het dak van zijn busje laadt hij een enorme zak met lianen: Strychnos melinonii, de beruchte dobrodoea voor in de afrodisiaca. Ik struikel met mijn bagage over een vogelkooitje met twee twatwa’s. Ze vallen van hun stokje maar krabbelen gelukkig weer overeind. Het is tijd om weer naar de stad te gaan.

De voorouderpinda: wie kent hem nog?

De voorouderpinda: wie kent hem nog?                     donderdag 8 augustus 2013

In 1858 verzamelde de botanicus Splitgerber in Paramaribo een vreemd soort pinda (Vigna subterranea). Die had hij hoogstwaarschijnlijk in een slaventuintje aangetroffen, maar dat vermeldt het etiket van zijn collectie in het Leidse herbarium helaas niet. Het plantje van Splitgerber heeft langwerpige blaadjes, geen ronde zoals de gewone pinda (Arachis hypogaea) heeft. Het blijkt een Bambara groundnut te zijn, een aan pinda verwant aardnootje, gedomesticeerd door de Nigeriaanse Bambara-stam, en ongetwijfeld met de slavenschepen als voedsel meegekomen naar Suriname. Na Splitgerber heeft niemand de plant meer gevonden of gerapporteerd, totdat Charlotte van ’t Klooster in 2000 de blaadjes aantrof in de diepvries van een Saramaccaanse wintiwinkel in Amsterdam Oost. De blaadjes werden awoo pinda uwíi (voorouderspinda) of gobogobo (een Afrikaanse woord voor pinda) genoemd en in een mysterieus kruidenbad voor de voorouders gebruikt. De uitbater van de winkel kwam uit Guyaba, Boven Suriname, niet echt ver van Jawjaw. Dertien jaar later is de wintiwinkel opgedoekt, het huizenblok afgebroken en zoeken we al twee maanden in het binnenland van Suriname naar iemand die de voorouderpinda op zijn kostgrondje kweekt. Vergeefs, zo lijkt het.

Langs de Tapanahoni kende niemand de gobogobo, terwijl hij soms ook Ndyukapinda (Aucanerspinda) wordt genoemd. We lieten kleurenfoto’s zien (gemaakt in Ghana, waar die zaadjes overal op de markt liggen), maar mensen bleven vertwijfeld hun hoofd schudden. ‘We hebben wel andere pinda’s hoor!’, zeiden ze troostend, wijzend op de bergen gewone pinda’s die op golfplaten op hun erf lagen te drogen. ‘Die zijn ook lekker, kun je pindasoep van maken!’ Jaja, maar die willen we niet.

Ik beloofde Minke dat als ze een levende gobogobo zou vinden, ze een ijscoupe naar keuze mocht uitzoeken bij Tangelo, Suriname’s duurste taartjeswinkel, waar de airco zo hard staat dat je binnen de kortste keren zelf in een ijsklomp verandert.

Bij de Saramaccaners laten we de kleurenplaatjes van Vigna subterranea opnieuw zien. Weer die fronsende blikken. Totdat we bij Paulientje Mateda aankomen, een tenger vrouwtje van 55 jaar. ‘Wacht’, zegt ze, en scharrelt rond in haar donkere keukentje. Ze vist een jampotje tevoorschijn, haalt er een verfrommeld boterhamzakje uit, en schudt een paar bruine, eenzadige, houtige peultjes in haar gerimpelde handpalm. Waarachtig, het zijn gobogobo’s!!! ‘Ze zijn te hard om nog te eten’, zegt Paulientje, ‘en zaaien lukt ook niet meer. Als je ze oogst moet je ze meteen koken, of vlak daarna planten, anders komen ze niet meer op’. Het gratis ijsje is dus nog niet verdiend….

Afbeelding

De voorouderpinda, Vigna subterranea. Foto: Minke Reijers.

Minke blijft doorvragen. Ze vindt steeds meer mensen die hem kennen, maar niemand heeft ze in de tuin. Dan op een dag, tijdens mijn afwezigheid in de stad, krijg ik een SMS: ‘gobogobo gevonden!!’. Er was nog een vrouw in Jawjaw die een paar armzalige kiemplantjes van de voorouderpinda op haar kostgrondje had staan. Was die Bambara groundnut al bijna uitgestorven, met het verzamelen van twee van de vier kiemplanten hebben wij hem bijkans de genadeslag gegeven.

Afbeelding

De laatste kiemplantjes van de gobogobo. Foto: Minke Reijers.

Waarom planten ze die gobogobo niet meer? We vragen het telkens weer, en krijgen telkens verschillende antwoorden:

‘Ik had een hele emmer vol zaden, maar ze zijn beschimmeld’.

‘De mensen zijn lui tegenwoordig. Ze hebben geen zin meer om te planten’

‘Mijn vader had een veld vol, maar hij is overleden’

‘Als je het niet elk jaar zaait, komen ze niet meer op’.

‘Ik had ze, maar toen kreeg ik een baby in Paramaribo en toen waren ze op’.

‘Ik ken die gobogobo hoor, maar ik heb hem niet geplant, mijn moeder plantte hem’

‘Hij is erg lekker hoor, je trekt hem uit de grond, kookt hem gelijk met zout en eet hem op. Is gezond hoor! Nee, zelf heb ik hem niet.’

Als het zaaizaad niet lang goed blijft, hoe heeft die voorouderspinda het dan de afgelopen 300 jaar wel volgehouden? Stug elk jaar opnieuw zaaien? Hoe wordt je eigenlijk een vergeten groente? Hoe minder hij wordt geplant, hoe kleiner de genetische diversiteit van die voorouderpinda. Kan botanische inteelt ook leiden tot minder kiemkracht?

Als we met Sjors naar Manlobi varen, zegt hij dat we ‘100 procent zeker zuiverrr’ die gobogobo gaan vinden. Sjors vertelt aan iedereen wat we zoeken, maar de dorpsgenoten staren ons ongelovig en wantrouwend aan. Foto’s maken mag niet, en echt vriendelijk zijn de Manlobianen ook niet. Ook Sjors voelt zich niet op zijn gemak, het is het dorp van de familie van zijn vrouw. ‘Hier wonen mijn skoonoom, skoonbroer en skoonnicht’, legt hij uit. Maar die schoonfamilie geeft ook geen sjoege.

Minke is duizelig en blijft bij een huisje, Jorik en ik sjokken verder achter Sjors aan. Dan worden we verwezen naar een vrouw met een loszittend kunstgebit. Tussen het onkruid naast haar huis heeft ze een klein stukje aarde opengekrabt, er staan vier plantjes op: gobogobo. ‘Zie je wel’, zegt Sjors opgelucht. ‘Van al het zaaigoed dat ik had is alleen dit opgekomen, zegt de vrouw. Ik hoop dat ik er veel zaadjes van krijg. Die ga ik niet eten, maar verder planten, zodat ik weer een veldje vol heb. Ermee baden? Nee hoor, je moet die zaadjes koken en opeten’. Toch is onze missie geslaagd. ‘Pas goed op je gobogobo, zorg dat hij niet verdwijnt’, druk ik haar op het hart terwijl ik haar een briefje geld toestop. Ze neemt het verbaasd aan. ‘Kijk uit dat het onkruid die gobogobo’s niet overwoekerd’, waarschuw ik nog. ‘Nee hoor’, lacht ze, ‘dat spuit ik straks gewoon dood met Grammoxone hoor!’.

Als we Minke ophalen bij het huisje van schoonmoeder, heeft ze een bakje vol gobogobo peultjes en zwarte rijst (Oryza glaberrima) in de hand. Beide vergeten Afrikaanse gewassen in één bordje. ‘Ja die gaven ze me opeens’, zegt ze. Dus ze hadden het al die tijd al in huis, maar wilden eerst eens goed observeren wie wij waren en wat we kwamen doen. Zo gaat het dus, als je als vreemdeling in een Marrondorp komt. We beseffen hoeveel geluk we hebben met onze introductie via Berto Poeketie in Jawjaw en Thomas Polimé in Mooytaki. Of de laatste gobogobo plantjes de bespuiting met herbicide overleven weten we niet. Tijdens mijn eindpresentatie aan de Anton de Kom Universiteit laat ik een foto van de voorouderspinda zien. Niemand kent hem.

Kijkt u goed naar de plaatjes op deze pagina. Als u hem tegenkomt in Suriname, eet hem dan niet meteen op, maar plant de zaadjes in uw tuin. En praat een beetje Bambara tegen ze, of Saramaccaans. Zorg dat ze niet voorgoed vergeten worden. De voorouders zullen u dankbaar zijn.

Afbeelding

Twee forgotten African foods in een bakje: gobogobo en zwarte Afrikaanse rijst (Oryza glaberrima). Manlobi, Boven Surinamerivier.

Taart bakken in het binnenland

Koken met Farida: mungaa                                         6 augustus 2013

De moeder van Berto liet me in Nieuw Lombe een soort dikke cake-achtige brokken proeven: ze noemde ze muungra. Een dag later maakte Minke met Farida in Jawjaw hetzelfde gerecht, daar heette het muunga. Een cake bakken in het binnenland is geen kwestie van een pakje cakemeel kopen, water of melk erbij, in een bakvormpje gieten en in de oven zetten. Nee, hier is een taart bakken in hels karwei, waar vele uren werk in gaat zitten, planten in het bos gezocht moeten worden en een hoop fysieke arbeid bij komt kijken. Maar de cake is dan ook zo machtig dat je er dagen van kunt eten, eigenlijk is één hap al genoeg. Hier is het recept:

Klop drie eieren met vier flinke eetlepels margarine los met een lepel. Roer er een hele kilo suiker door en een eetlepel zout. Roer er dan een flinke hoop geraspte kokos door (zelf raspen van kokosnoot). Dan roer je er rijstmeel doorheen, wat je gemaakt hebt door ongekookte (wel gepelde!) rijstkorrels een tijdje te laten weken in water, het water eraf te afgieten en de natte korrels te stampen in een vijzel. Dan roer je er fijngestampte (eerst gebrande en ontvliesde) pinda’s doorheen.

Afbeelding

Gebrande pinda’s stampen tot pindakaas (fonfon pinda). Foto: T. van Andel

Een beetje zonnebloemolie er doorheen gieten en omroeren. Bijna een liter melk erbij gieten, bakpoeder, een kop water en een half flesje amandelessence (koop je in een winkel). Als het te droog is: meer water erbij gieten.

 

Dan was je de muunga uwíi (Monotagma spicata) en snij je de steel eraf. Die muunga uwíi groeit in het moeras, het is geen zeldzame plant, maar als je hem niet kan vinden kun je niet zomaar een ander Marantaceae blad gebruiken, maar neem je een plastic zak. Die bladeren leg je even in een pan met warm water om ze zacht te maken. Dan vouw je het blad als een puntzak, schept het deeg erin en bindt het dicht met een strookje stof van een oude pangi. Het pakketje leg je dan in een pan water leggen en laat het een paar uur koken, tot het deeg stevig is. Na even afkoelen open je het pakketje. De inhoud lijkt op een bruin gestippelde cake. Hij ligt vrij zwaar op de maag: eet een paar happen ervan en je kunt even geen pap meer zeggen.